Aristoteles en het streven naar geluk

Door: Herman van der Werf    |    13 augustus 2025

In zijn werk Politica gaat de Griekse filosoof Aristoteles (384 v.Chr. – 322 v.C) in op de vraag hoe mensen in een grote, vreedzame gemeenschap, toch als individu vruchtbaar en productief kunnen leven. Dit roept de vraag op of het welzijn van een mens onvermijdelijk in conflict komt met het welzijn van anderen. Zijn binnen een samenleving individuele belangen van burgers altijd tegenstrijdig? Om te ontdekken hoe individuen binnen een collectief vreedzaam en goed kunnen samenleven, is het eerst belangrijk te weten wat Aristoteles’ voorstelling van een deugdzaam leven is. Wanneer leidt een mens en moreel goed en vruchtbaar leven? De filosoof beschreef dit in zijn tien boeken van de Ethica Nicomachea, waarin de menselijke ethiek tot in detail wordt behandeld.

Thema’s die de filosoof in de Ethica systematisch heeft getracht te beschrijven zijn de zoektocht naar geluk, het leiden van een moreel verantwoord leven, het omgaan met emoties, het onderhouden van vriendschappen, het genot en in zijn geheel en de ultieme opvatting van menselijk geluk. Anders dan bij dieren is het gedrag van mensen onvoorspelbaar en daardoor minder geordend. Aristoteles stelt dat dit komt omdat het menselijk gedrag altijd neigt naar uitersten.[1] Zo kunnen gebeurtenissen en omstandigheden leiden tot overdreven uitbundig reageren of juist tot een teruggetrokken houding bij sociale interactie. In andere situaties kunnen mensen terughoudend optreden of juist roekeloos zijn. Het bezit van rijkdom kan leiden tot overmatige uitgaven of tot gierigheid en de wens naar meer. Het menselijk gedrag neigt altijd naar te veel en naar te weinig. Dit gedrag van uitersten kan leiden tot problemen binnen een samenleving.[2] Het kan te koste gaan van het geluk van de individu en daardoor van de vreedzaamheid binnen het collectief. Als uitkomst van dit gedrag stelt de filosoof de deugden: een begrip dat in literatuur enigszins verschillend wordt omschreven.

Deugden kunnen worden omschreven als gematigde karaktereigenschappen die de mens zichzelf moet aanleren, met als doel het gedrag van uitersten te vermijden. Door het aanleren van deugden zijn mensen in staat gematigd te denken en te handelen. Belangrijk hierbij te vermelden is dat deze gematigde houding er niet voor zorgt dat mensen een middelmatig leven leiden, maar dat juist de maximale potentie van het menselijk geluk wordt bereikt.[3] Dit geluk vertaalt zich naar het in vrede kunnen leven met de innerlijke ziel; het hebben van plezierige herinneringen en van hoop.[4] Het gaat bij het menselijk gedrag dus om het vinden van een middenweg. Zo moet de mens, in plaats van verspillend of gierig zijn, vrijgevig gedrag vertonen. In plaats van nijdig gedrag, is vriendelijkheid gewenst. Moed is de middenweg tussen roekeloosheid en lafheid; trots ligt tussen verwaandheid en nederigheid.[5] Het is de kunst altijd deze middenweg te vinden.

Marmeren buste van Aristoteles. Romeinse kopie van een Grieks, bronzen origineel van Lysippus van Sicyon, ca. 330 v.Chr (Publiek domein).

Aristoteles’ doel met deze levenswijze is dat ieder mens naar zijn of haar maximale potentie kan leven. Maar: ieder mens is verschillend en geeft dus op andere wijze invulling aan deze deugdenethiek. Het is dus van belang dat een persoon niet slechts als individueel, afgezonderd wezen wordt gezien.[6] Ieder mens staat in een directe relatie tot de gemeenschap. De meeste deugden die Aristoteles beschrijft, betreffen dan ook gedragingen die plaatsvinden binnen het sociale leven en bij interactie met andere mensen. Hier komen emoties het vaakst tot uiting, waardoor het voor de mens moeilijker is om de gematigde, deugdelijke weg te vinden.

De deugdenethiek doet een beroep op het morele besef en verstand van de mens als individu. De mens weet dat hij of zij middels de weg van gematigdheid moet handelen, maar om hierin te slagen, moet een beroep worden gedaan op de deugd phronèsis: de praktische wijsheid.[7] Middels deze wijsheid, dit morele besef, kunnen afgewogen keuzes worden gemaakt die direct leiden tot geluk. Hierdoor verzanden mensen niet in een hoeveelheid vrijheid, die het geluk van zowel de individu als de gemeenschap kan belemmeren. Geluk is volgens Aristoteles een complex begrip.[8] Hij ziet het als het hoogste doel – ofwel de alomvattende praxis – van het leven. Het is het ultieme streven, de vorm van voortreffelijkheid waarvoor ieder mens handelt. De filosoof maakt onderscheid tussen drie vormen van levensgeluk die een persoon kan bereiken: een vorm van genot en plezier, een vorm van aanzien en een vorm van studie en bezinning.[9] Uit deze opvatting wordt duidelijk dat de Ethica bestemd is voor een welgesteld burgerpubliek. Immers, het armere deel van de Griekse bevolking had minder of geen tijd, geld en andere middelen om deze drie geluksvormen te bereiken. Daarnaast ziet Aristoteles het behalen van rijkdom in de vorm van geld niet als het goede waarnaar een mens moet verlangen. Geld is een middel, iets functioneels ter wille van een ander doel, maar niet een levensdoel op zichzelf. Bij de drie vormen van levensgeluk is het belangrijk op te merken dat dit geluk te verwerkelijken is middels het handelen.

Naast de deugd praktische wijsheid, noemt Aristoteles oefening als belangrijk aspect om een deugdelijk leven na te streven.[10] Naarmate zich meer gelijkwaardige situaties hebben voorgedaan, kunnen mensen in nieuwe soortgelijke situaties steeds beter handelen. Een mens kan zich dus zelf, van binnenuit, een houding aanleren. Veel minder dan in het werk van zijn leermeester Plato, vindt Aristoteles dat sociale druk van buitenaf een rol speelt.[11] Een menselijke houding is iets intrinsieks, een mentaliteit die door oefening steeds beter kan functioneren. De reden daarvan ligt grotendeels bij het gegeven dat ieder mens een eigen karakter en diversiteit aan talenten heeft die uniek voor hem of haar zijn. Hoewel alle mensen karakteristieke overeenkomsten hebben, de natuurlijke en aangeleerde eigenschappen, maakt deze diversiteit van ieder mens een individu. De karaktereigenschappen en bekwaamheden bepalen wat een persoon goed kan en minder goed kan. Door talenten na te jagen en datgene te doen waar een persoon goed in is, kan een persoon zich ontwikkelen en zal hij of zij gelukkiger leven.[12] Zo kunnen zich situaties voordoen waarin een persoon vrijgevig moet zijn, in plaats van gierig of verspillend. Een van nature vrijgevig persoon zal in dit soort situaties makkelijker zijn vrijgevigheid kunnen tonen. Door hier dan ook daadwerkelijk naar te handelen, leeft diegene naar zijn potentie en haalt hij of zij hier geluk uit. De mens kiest er op zo’n moment bewust voor om op een deugdelijke manier te handelen. Een deugd zou daarmee kunnen worden omschreven als een menselijke houding, die voortkomt uit oefening en vorming en waar het gedrag uit voortvloeit.

Om te kunnen leven naar zijn of haar potentie, moet een persoon dus herkennen waar diens bekwaamheden en talenten liggen. Dit blijkt ook uit specifieke omschrijvingen van verschillende deugden. Zo omschrijft Aristoteles de deugd megalopsychia of grootsheid, de deugd die naar een succesvol leven kan leiden, als volgt: “Men beschouwt iemand als groots wanneer hij van zichzelf vindt dat hij grootse dingen waard is, terwijl hij die ook werkelijk verdient. Wie van zichzelf vindt dat hij dit soort dingen verdient zonder dat dit juist is, is dwaas en niemand van de mensen die deugdzaam handelt, is dwaas of onverstandig”.[13] Deze tekst laat zien dat als een persoon zijn of haar eigen talenten op waarde kan schatten, hij of zij met recht kan streven naar grootse dingen. Als die worden behaald, dan streeft de persoon naar de deugd grootsheid en heeft hij of zij reden voor gepaste trots.

Eerste pagina van Aristoteles’ Ethica Nicomachea, afkomstig uit een Grieks/Latijnse editie uit 1566 (Publiek domein).

In totaal beschrijft de filosoof zestien verschillende deugden. Naast de reeds genoemde grootsheid en praktische wijsheid zijn fortitudo (moed), temperantia (gematigdheid of zelfbeheersing) en justitia (rechtvaardigheid) het meest uitvoerig worden omschreven. Moed is het midden van angst en overmoed. Er zijn zaken in het leven waar het moreel gepast is angstig voor te zijn, zoals het dragen van een slechte reputatie. Vrezen voor een slechte reputatie leidt tot bescheidenheid, wat moreel goed is. Voor situaties als ziekte en armoede is het niet gepast angstig te zijn. Hier is de handelende persoon niet zelf direct verantwoordelijk voor en dus is het niet nodig hier bang voor te zijn. Echter, daarmee is het niet gezegd dat zo’n persoon moedig is. Moedig is een persoon die onverschrokken is. Iemand die zijn angsten opzij zet voor iets wat moreel juist is of omdat het schandelijk is dit niet te doen.[14] Vanzelfsprekend is dit voor eenieder verschillend.

De deugd gematigdheid wordt omschreven als het handhaven van de juiste grenzen en het hebben van een gevoel voor verhoudingen. Als een mens dit niet beheerst, leidt dit tot genotzucht. Hij of zij zal dan ten prooi vallen aan losbandigheid: verlangens naar eten, drinken en lichamelijk genot, gedreven door het verlangen om deze genoegens te verkiezen boven al het andere. Zo iemand zal losbandig leven, wat moreel als niet goed wordt geacht. Daarnaast is een gematigd persoon in staat tot zelfbeheersing, wat leidt tot een harmonieus samenleven met anderen. Daarentegen zal een niet-gematigd persoon kwaadwillige bedoelingen hebben, die zelfs kunnen leiden tot gewelddadig gedrag.[15]

Aristoteles wijdt een heel hoofdstuk aan de deugd justitia (rechtvaardigheid). Rechtvaardigheid heeft betrekking op handelingen die als doel hebben een objectieve, rechtvaardige situatie te scheppen. De beschrijving van deze deugd wordt gekenmerkt door twee delen: rechtvaardigheid in de strenge zin van het woord en in subjectieve zin.[16] Ten eerste noemt de filosoof een rechtvaardig persoon als iemand die de wet in acht neemt. De wetten die ieder mens in acht dient te nemen, hebben betrekking op het algemene, integrale welzijn van de bevolking. Deze vorm wordt ook wel omschreven als algemene of wettelijke rechtvaardigheid.[17] Gelijkheid onder alle burgers is hierbij belangrijk, gezien ieder mens gelijk dient te worden behandeld. Ten tweede beschrijft de filosoof zijn studie over rechtvaardigheid in subjectieve of specifieke zin. Dit type wordt opgesplitst in de distributieve rechtvaardigheid en het corrigerende (of vereffende) recht.[18] De Griekse polis wordt bewoond door een diversiteit aan inwoners. Binnen deze gemeenschap zijn goederen, rijkdommen en aanzien niet evenredig verdeeld. De verdeling moet gebeuren naar wat iemand verdient op basis van aanzien en goede prestaties. Rechtvaardigheid duidt dus niet altijd op absolute gelijkheid. Ongelijkheid is inherent aan een gemeenschap. Daarnaast wisselen inwoners onderling goederen en diensten uit. Soms op vrijwillige basis en soms onvrijwillig, zoals bij diefstal of een andere vorm van criminaliteit. Bij dit laatste moet het corrigerende recht een vereffende rol spelen. Bij de vereffening van criminele praktijken spelen aanzien en goede prestaties niet mee. Er moet een vaststaande, exacte tegenprestatie staan tegenover de schade die een persoon heeft geleden, ongeacht het aanziens des persoons.

De Ethica kan worden gezien als een praktisch filosofisch werk. Door op rationele wijze uit te gaan van de natuurlijke eigenschappen van de mens, probeert Aristoteles een gefundeerd oordeel te geven over het menselijk gedrag en het bereiken van geluk. De natuurlijke eigenschappen moeten ervoor zorgen dat de mens op een natuurlijke manier kan samenleven. Enigszins tegenstrijdig is de stelling dat bij het vinden van geluk een zekere vorm van autarkie hoort: een drang naar onafhankelijkheid.[19] De mens zou het gelukkigst zijn met veel vrijheid. De gemeenschap waarin de mens leeft is daarbij de maximale beperking die nodig is om niet in deze vrijheid te verzanden. Binnen een gemeenschap is iedereen op elkaar aangewezen en heeft iedereen verschillende eigenschappen en talenten, die allemaal tot hun recht moeten komen. Om te overleven moeten mensen dus samenleven. Daarom moet de mens volgens Aristoteles worden gezien als een zoön politikon, vrij vertaald naar ‘sociaal dier’ of ‘gemeenschapswezen’.[20] Dit sociale aspect, over het samenleven in een gemeenschap, werkte Aristoteles uit in zijn volgende grote werk: de Politica.


[1] Otfried Höffe, Aristotle, Suny Series in Ancient Greek Philosophy (Albany: State University of New York Press, 2003), 101.
[2] Idem, 101-102.
[3] Idem, 154-155.
[4] Idem, 153.
[5] Richard Kraut, Aristotle: Political Philosophy (Founders of Modern Political and Social Thought) (New York: Oxford University Press, 2002), Aristotle: Political Philosophy, 68.
[6] Höffe, Aristotle, 165-167.
[7] Idem, 69-72.
[8] Idem, 140.
[9] Aristoteles onderbouwt de drie vormen uitvoerig in de boeken II en III van de Ethica. Zie: Aristoteles, Ethica Nicomachea, vertaald door B. Poortman en C. Hupperts (Eindhoven: Uitgeverij Damon Vof, 2023), 101-140.
[10] Idem, 101-102.
[11] Aristoteles, Ethica Nicomachea, 97-100.
[12] Idem, 96-98.
[13] Idem, 149.
[14] István Bejczy, The Cardinal Virtues in the Middle Ages: A Study in Moral Thought from the Fourth to the Fourteenth Century (Leiden: Brill, 2011), The Cardinal Virtues in the Middle Ages, 131.
[15] Höffe, Aristotle, 143.
[16] Aristoteles, Ethica Nicomachea, 163-177.
[17] Idem, 163-166.
[18] Idem, 168-177.
[19] Höffe, Aristotle, 151-152, 159-160.
[20] Martha C. Nussbaum, The Fragility of Goodness. Luck and ethics in Greek tragedy and philosophy (Cambridge: Cambridge University Press, 2001), 345.


© The Other Day | privacybeleid | contact